Voor zij die op hun tandvlees zitten, vrees niet. Het jaar zit er bijna op: binnen dit en enkele uren vullen we onze magen, mengen het hele goedje met de nodige bubbels en vliegen de nieuwjaarswensen ons als vuurpijlen om de oren. Maar naar jaarlijkse gewoonte nog last minute binnenspringen bij de tandendoktoor, kwestie van mijn laadklep aan een groot onderhoud te laten onderwerpen. Instant muteer ik in een cariësvrezende hypochonder die dreigt ten onder te gaan aan schuldgevoel wegens te weinig poetsen: voor ik vertrek, ontwikkel ik snelheden met de tandenborstel waardoor mijn glazuur spontaan dreigt te ontbranden en gorgel ik als mondwatergeiser tot tegen het plafond. Maar het geweten is gesust, en dat wil al wat zeggen.
In de wachtkamer leg ik mijn tong in zeemans- en andere knopen om mezelf ervan te overtuigen dat alle bijters nog aanwezig zijn, en wel in zo’n uitzonderlijke staat dat ik enkel het spiegeltje in m’n bek zal moeten dulden. Daar gaan we dan: liggen maar, spots aan. Plots valt het me op, de beul heeft zich sinds mijn vorige bezoek een nieuw tortuurtuig aangeschaft. Er wordt niet getalmd, en al gauw hangt het afzuigdarmpje in mijn opengesperde smikkel te bengelen. Hij heeft kosten nog moeite gespaard lijkt me, de zuigkracht van het ding is enorm: binnen de kortste keren degradeert mijn uitgedroogde smoel de Sahara tot een sappige oase en fungeren mijn slok- en andere darmen welhaast als stofzuigerslang waarmee hij de bekleding van zijn hypermoderne stoel lijkt te willen reinigen. Ik snak naar wat water uit zijn sproeiertje en begin stilaan te vrezen voor mijn amandelen en huig. Oh ja, uiteraard, net nu gaat de telefoon.
“Op het eerste zich lijkt alles in orde, enkel wat tandplak op de voorste tanden, boven én onder. Dat gaan we er even af trillen.” Dan volgen de legendarisch sussende woorden: “Het gaat misschien eventjes pieken.” Ik ben er nog altijd niet uit wat de lieve man met het vreemd uitgesproken 'pikken' bedoelt: gaat deze procedure gepaard gaan met licht prikkelend ongemak, of giet hij iedere controle mentaal in een grafiekje, waarbij het trilgedeelte beschouwd kan worden als het extreem pijnlijke piekmoment? In gedachte sla ik, als broekschijter zijnde, een kruisje en begraaf ik mijn nagels in de deftig gereinigde bekleding.
Ik haal me de meest heuglijke pijnscheuten voor de geest, kwestie van dit trilmoment in perspectief te plaatsen. Schaatsen met meester Guy in het tweede studiejaar: bind me de ijzers onder en ik lijk motorisch gestoord. De strijd verliezend met de zwaartekracht opteer ik voor het behoud van mijn gebit, met een gebroken pols als gevolg. Kermend van de pijn zet ik me op het bankje, waarop meester Guy op zijn beurt de legendarische woorden verkondigt: “Allé Kevin, zijt ge een echte man of hoe zit het?” Dat laat ik me geen twee keer zeggen en draai ostentatief nog enkele rondjes met een krakkemikkig pootje. Toen wás ik een echte man. Nu slaat het devies ‘Goed poetsen!’ evenzeer op mijn onderbroek als op mijn kiezen en verwanten.