woensdag 28 december 2011

Goed poetsen!

Voor zij die op hun tandvlees zitten, vrees niet. Het jaar zit er bijna op: binnen dit en enkele uren vullen we onze magen, mengen het hele goedje met de nodige bubbels en vliegen de nieuwjaarswensen ons als vuurpijlen om de oren. Maar naar jaarlijkse gewoonte nog last minute binnenspringen bij de tandendoktoor, kwestie van mijn laadklep aan een groot onderhoud te laten onderwerpen. Instant muteer ik in een cariësvrezende hypochonder die dreigt ten onder te gaan aan schuldgevoel wegens te weinig poetsen: voor ik vertrek, ontwikkel ik snelheden met de tandenborstel waardoor mijn glazuur spontaan dreigt te ontbranden en gorgel ik als mondwatergeiser tot tegen het plafond. Maar het geweten is gesust, en dat wil al wat zeggen.

In de wachtkamer leg ik mijn tong in zeemans- en andere knopen om mezelf ervan te overtuigen dat alle bijters nog aanwezig zijn, en wel in zo’n uitzonderlijke staat dat ik enkel het spiegeltje in m’n bek zal moeten dulden. Daar gaan we dan: liggen maar, spots aan. Plots valt het me op, de beul heeft zich sinds mijn vorige bezoek een nieuw tortuurtuig aangeschaft. Er wordt niet getalmd, en al gauw hangt het afzuigdarmpje in mijn opengesperde smikkel te bengelen. Hij heeft kosten nog moeite gespaard lijkt me, de zuigkracht van het ding is enorm: binnen de kortste keren degradeert mijn uitgedroogde smoel de Sahara tot een sappige oase en fungeren mijn slok- en andere darmen welhaast als stofzuigerslang waarmee hij de bekleding van zijn hypermoderne stoel lijkt te willen reinigen. Ik snak naar wat water uit zijn sproeiertje en begin stilaan te vrezen voor mijn amandelen en huig. Oh ja, uiteraard, net nu gaat de telefoon.

“Op het eerste zich lijkt alles in orde, enkel wat tandplak op de voorste tanden, boven én onder. Dat gaan we er even af trillen.” Dan volgen de legendarisch sussende woorden: “Het gaat misschien eventjes pieken.” Ik ben er nog altijd niet uit wat de lieve man met het vreemd uitgesproken 'pikken' bedoelt: gaat deze procedure gepaard gaan met licht prikkelend ongemak, of giet hij iedere controle mentaal in een grafiekje, waarbij het trilgedeelte beschouwd kan worden als het extreem pijnlijke piekmoment? In gedachte sla ik, als broekschijter zijnde, een kruisje en begraaf ik mijn nagels in de deftig gereinigde bekleding.

Ik haal me de meest heuglijke pijnscheuten voor de geest, kwestie van dit trilmoment in perspectief te plaatsen. Schaatsen met meester Guy in het tweede studiejaar: bind me de ijzers onder en ik lijk motorisch gestoord. De strijd verliezend met de zwaartekracht opteer ik voor het behoud van mijn gebit, met een gebroken pols als gevolg. Kermend van de pijn zet ik me op het bankje, waarop meester Guy op zijn beurt de legendarische woorden verkondigt: “Allé Kevin, zijt ge een echte man of hoe zit het?” Dat laat ik me geen twee keer zeggen en draai ostentatief nog enkele rondjes met een krakkemikkig pootje. Toen wás ik een echte man. Nu slaat het devies ‘Goed poetsen!’ evenzeer op mijn onderbroek als op mijn kiezen en verwanten.

woensdag 7 december 2011

Het kerstglas is half vol, schol

 “Uiteraard, gij zijt een pessimist!” Dat werd me even naar de kop geslingerd nadat ik te kennen had gegeven dat ik nog liever mijn oksels haartje per haartje epileer dan dat ik een gesprek aanga met een idealist. In mijn bloot hol op een blok ijs wachten op Godot behoort tot de te pruimen alternatieven: met kleine Kevintjes zou ik deze lamentabele aardkloot immers toch geen dienst bewijzen. Idealisten, optimisten en andere tisten: ze zijn zo vermoeiend, meneer. Net zoals kerstfetisjisten en Jingle Bells-neuriënde altruïsten te markten her en der. Toon me dergelijk gespuis en ik toon u een meute oprechte pessimisten. Of beter: toon mij zulke optimist en we scanderen 'Aan het kruis met Hem!'. Dergelijke vrede op aard aan alle realisten, vraag dat maar aan de Oeroptimist. Als bedankje voor Zijn andere wang kreeg Hij de zonden des werelds in kruisvorm te torsen op Zijn schoften, beschimpt en overladen met pek, veren en gespuwde gal. De auteur van het boek Gods: de oerrealist, denk ik dan. Nu rest Hem slechts nog Zich op jaarlijkse basis gehuld in kakkepamper in de kribbe symbolisch te laten onderkwijlen door oftewel porseleinen os en ezel, oftewel Zich niet zo symbolisch te laten besabbelen door een mede-pamperkakker die de Heiland Zelve aanschouwt voor een Playmobieltje en er zijn ontluikende kersttandjes op botviert. Voor de rest van het jaar hangt onze masochistische Redder als dertigjarige knaap evenzeer gepamperd met opengesperde armen te wachten op Zijn ossenfeest - dat helaas nooit komen zal - met als enige ondersteuning een tot as verkruimelend palmtakje uit de jaren stillekens: het zandlopertje van ons geloof dat al decennia lang achterloopt. Zo waren zij, de ongelovigen: zo zijn wij, atheïst. Onze lijdensweg strekt zich statiegewijs uit van kerst tot even voorbij Nieuw. 'Zalig kerstfeest' bekt lekkerder dan 'Flikker toch op man', en 'Mijn beste wensen' staat niet zelden synoniem voor: 'Dat het nieuwe jaar je veel goeds mag brengen, zoals een stel broodnodige hersens, ik stel maar iets voor.' Hij die op de vooravond van Kerstmis temidden van al het gepeupel in de winkelstraat geen moordlustige neigingen ontwikkelt, ja, Hij weze mijn Messias. Toegegeven, ik bén een pessimist, maar werd ik me daar even de levieten gelezen door iemand die me van binnen en van buiten kent: daarenboven een optimista puur sang. Mijn pessimistische potentie kreeg af te rekenen met slapheid: cynisme als de belichaming van de Gehoornde met bokkenpoten op mijn rechterschouder leek het onderspit te delven tegen haar gevleugelde doch striemende woorden en dito blik aan de andere zijde. Een beetje optimistisch water bij mijn glühwein dan maar, waarom niet op de kerstproeverij in ons boerendorp weldra. Maar idealisten en andere tisten altegader: laat ons het lot niet tarten, anders ruilen we de spekfakkels in voor jullie vlezigheid die een zaligmakende gloed zal verspreiden zoals keizer Nero het voor ogen had. Ik mag dan een zanikende pessimist zijn, bij kerst hou ik van warmte en gezelligheid, eerlijk waar. Kwestie ook van de kansen op kerstprullaria in glanzende geschenkverpakking gaaf te houden. Een opportunist en een egoïst, ja dat dan weer wel.

woensdag 16 november 2011

Melkchocolade, zeg ik u!

Allerliefste Sint, Kevin hier, te vinden in Het Dikke Boek bij de K van klojo. Laat ik van start gaan om u naar jaarlijkse gewoonte om de tuin te leiden met de volgende schijnheilige leugen: ik ben braaf geweest, want ik wil – vanzelfsprekend – bezwijken onder allerlei lekkers: chocolade en een bevallig doch pienter vrouwmensje dat mij adoreert in al mijn lulligheid. Voor enige bijsturing wat betreft het tweede deel van mijn verlanglijstje: zie mijn collages uit de P, de Ché en ‘Tiny gaat op reis naar Bredene en neemt mee Angelina Jolie en Scarlett Johannson’. Zo ouwe baas, die formaliteiten zijn weer achter de rug. En verstaat u mij niet verkeerd, mijn Sintgeloof is sterker dan ooit tevoren, maar enkele pepernoten van kritiek moeten mij van het hart. In mijn beginjaren, die gekenmerkt werden door naïef jolijt, stond de nacht van 5 december garant voor slapeloosheid, vergezeld van sidderen en beven in de bedstee. Heden ten dage kan enkel een teveel aan jenever dergelijke symptomen bij mij opwekken. Wat mijn geloof dan wel dreigt aan te tasten, goedheilige man? Allereerst lust ik nog steeds geen witte chocolade. Al 23 jaar lang wordt er in de ochtendlijke uren van uw verjaardag een ruilhandel met zusterlief opgezet: witte figuurtjes in ruil voor de melkchocoladen variantjes. En het is niet omdat uw dubbelganger in de film ‘De Zaak Alzheimer’ ten tonele werd gevoerd – weliswaar zonder baard – dat ook u aan geheugenverlies lijdt. U bent immers opgetrokken uit een granieten blok van feilloze perfectie. Hangt u dan een beetje de rancuneuze zak uit omdat ik van kindsbeen af in elke supermarkt weigerde op schoot te kruipen bij uw goedgeilige hulp-Sinten die er stuk voor stuk uitzagen alsof ze vanonder een lukrake brug aan de Seine waren geplukt? Zwak hoor, en dat brengt me zowaar bij m’n tweede punt: ik vind u wel vaker een slappe lul. Uw piet komt nog maar nauwelijks om het hoekje loeren of hij wordt al overladen met adventkransen, slingers en andere geforceerde gezelligdoenerij. Sinds wanneer laat de almachtige Sint Nikolaas zich aftroeven door een door obesitas geteisterde idioot die beschikt over een arsenaal aan vliegende rendieren? Iedereen weet toch dat we die verzonnen dikzak gebruiken om het kapitalisme bij de kinders binnen te lepelen, vermomd in inpakpapier en sierlint. Maar u, u bent anders. U bestaat echt en zal binnenkort enkele roetpieten doorheen onze schouw opjassen – die sinds jaar en dag langs de binnenkant gesloten is, maar daar weet u klaarblijkelijk wel raad mee. Beloon dan uw trouwste aanhanger rijkelijk: als ukje heb ik in het derde studiejaar zelfs fysiek geweld gebruikt om enkele non-believers op andere gedachten te brengen. Meester Valère vertelde toen dat u niet bestond, dat het onze ouders waren die de schoentjes en borden vulden in de nachtelijke uurtjes. Slaat nergens op natuurlijk, wat een dwaas. Mijn ouders zien mij graag en weten dat ik verzot ben op melkchocolade, toch?

woensdag 19 oktober 2011

De hoe-meer-haat-hoe-liever-straat

 Woonachtig onder de kerktoren, maar verdraagzaamheid behoort niet tot de tien geboden van bepaalde stukken chagrijn in deze buurt. De tweeloop wordt bovengehaald voor 't occasionele zwerfkatje dat zo hoognodig moet. Op 't gazon, akkoord, maar het beestje zal heus geen kilo's produceren. Of we kloppen naarstig  paaltjes in de pelouse, want bij het keren van de auto rijden die smeerlappen de graszoden naar de verdommenis. Heb je groene tapijtje meer lief dan je naaste buur. Ja, die leuze staat hier wel in steen gebeiteld. Naastenliefde is nochtans een toppunt op de agenda van de Kerk. Denk ik toch, want mijn laatste eucharistieviering vertoeft al even in de annalen. Een overdosis christendom door een misdienaarcarrière te Sint-Joris van dik tien jaar is immers mijn deel. Als er al een hemel bestaat, wat ik ten zeerste betwijfel, dan heb ik hem ruimschoots verdiend. Door mijn wekelijkse trouw aan de parochiehoeder geloof ik zelfs dat er wat extra krediet achter mijn naam staat in het dikke boek van de Almachtige. Daardoor zal ik, na het op een akkoordje gegooid te hebben met Sinte Pieter, nog iemand mogen meetronen richting eeuwige jachtvelden en dagelijkse porties rijstpap. Die metgezel mag dan gerust mijn engelenbrij verorberen, want ik vind het niet te vreten. Dat komt misschien ook wel door vaderlief, die me als ukje voor het dilemma 'hemel of hel' plaatste met de volgende bijkomende informatie: “In de hemel eten ze iedere dag rijstpap maar in de hel eten ze kebab, pizza, frieten, noem maar op. Wat denkt ge mijn zoon?” “Wel vader, u had me al bij kebab, de rest is bonus. Hou me er een plaatsje vrij bij aankomst.” Zo bracht hij me op religieus vlak ook het volgende – voor alle duidelijkheid: dit is een allesbehalve racistische doch speelse platitude om een jammerende peuter tijdens lange autoritten zoet te houden - bij wat betreft de sikhs, gekend om hun gekleurde tulbanden als teken van geloof. “Kijk daar, jongen, een gele, die smaakt naar?” “Citroen, papa.” Religie en snoepgoed: dankzij de hostie één pot nat voor een kleine knaap.

Toch verplicht ik mezelf ondanks mijn alreeds veroverde plaatsje in het hiernamaals steevast tot een goeie daad van de maand, kwestie van op zeker te spelen. Zo zag ik tijdens een fietstocht een ukkie moederziel alleen aan een voordeur staan dralen. Waarom was hij verbannen? Stond hij op straf omdat hij bij wijze van protest de inhoud van zijn pamper aan de muren had toevertrouwd? Geen idee, maar vriendelijk als ie was stak hij zijn vingertje uiterst stoer in de lucht bij wijze van groet, zoals hij het zijn potige papa waarschijnlijk al zo vaak had zien doen. Ik onderbrak mijn pathetische poging tot sport en groette hem hijgend doch oprecht terug. Daarop sierde een glimlach zijn lipjes die mijn façade besmette met de geluksbacterie. Heel even zorgde dat blondgekrulde engeltje voor de echte hemel op aarde, waarop ik vervuld van blijheid koers zette richting stal in de hoe-meer-haat-hoe-liever-straat. Hallelujah!

woensdag 5 oktober 2011

Maandagmonoloog

De apocalyps is ingezet, en wel dankzij de doodsreutel van mijn Senseo. Geen koffie op dit ontiegelijk vroege uur? Moordlustig steek ik van wal: “Dood, dagelijks wil ik mensen morsdood. Liefst een gruwelijke en langdurige variant. Ik ben heus niet de enige met zulke sadistische neigingen, geloof me vrij. Het is enkel een kwestie van het beest te temmen en het zogenoemde gezond verstand te laten zegevieren. Wie het daar niet mee eens is, verdient de kogel voor huichelarij zonder weerga. Nu, ik heb ook mijn goeie dagen, dan wens ik ze een gematigde 'loop naar de maan' toe. Enkele reis welteverstaan, want een retour helpt ons geen reet verder bij het ontwijken van dergelijke klootzakken. Waarom, vraagt de muze zich af. Maar ik wil niet dat ze er haar mooie hoofdje over breekt. Ik reken wel in m'n eentje af met die sujetten, wiens knieschijven ik maar al te graag te lijf zou willen gaan met een honkbalknuppel. Op een goeie dag komen ze er vanaf met een eveneens imaginaire doch welgemikte trap in de lever en nieren vergezeld van een verbouwde voorgevel. Liefst begeleid door een deuntje van Metallica eind jaren '80, dat timmert lekker weg. Maar helaas kan ik geen passend antwoord bedenken op haar vraag. De wantrouwige aard van het beestje. Het cynische muurtje dat me moet beschermen tegen overdreven optimisme, naïviteit en weerzinwekkend enthousiasme. Maar waarom net die mensen, dringt ze aan. Wederom goeie vraag, maar redelijkheid hoort niet thuis in mijn nihilistische wereldje. Zijn het slechte mensen? Verre van, maar ze doen mij simultaan huiveren en braken. Omdat ze het te graag willen, omdat ze te goedgelovig zijn. Zij die denken het verschil te kunnen uitmaken. Omdat ze zijn tout court: dat stuit me nog het meeste tegen de borst. Hij of zij die voldoet aan deze en nog meer van de pot gerukte voorwaarden, beschouw ik als niet te verdragen en bijgevolg niet waard een nietig bestaan op te eisen op deze aardkloot. Vriendschap is enkel voorbestemd voor gelijken van geest. Liefde voor de juffer die mijn schuimbekkend atheïsme omtrent verheerlijkte en verafgoodde ego's weet in te perken binnen de maatschappelijk aanvaardbare normen. Maar al de rest, al die andere pathetische triestige narcisten - want dat zijn het - mogen voor mijn part letterlijk doodvallen. In mijn hoofd liggen ze al lang onder de zoden.” Mijn maandagse mijmermonoloog aldus, en hij typeert het tekort aan slaap en koffie met als gevolg een klein ochtendhumeurtje gesitueerd op het Alkense perron. Geen vrees echter: niets wat cafeïne niet kan verhelpen. Weldra huppel ik dankzij het zwarte goud frivool het weekend tegemoet, op een wolkje van melk doch zonder suiker. Zelfs dan nog zeggen mensen me vaak dat ik kwaad kijk. Waar ze het vandaag halen, het blijft me een raadsel.

maandag 19 september 2011

Iemand

Iemand die liegt dat het een lieve lust is: “Neen, je bent helemaal geen nutteloze lul.” Woorden die de keiharde waarheid met de mantel der liefde bedekken.
Iemand die zachtjes fluistert: “Kom, laten we samen de verveling verdrijven door helemaal niets te doen. Leg je hoofd op mijn tieten en laat m'n hartenklop het werk doen.” Terwijl ze weet dat de mallemolen blijft draaien waardoor rust al lang tot een utopie verwerd. En toch berust ze.
Iemand die me met mijn zatte kloten nuchter richting toilet begeleidt: “Kom kom, alles komt goed. Ook al weet ik dat je dergelijke stellingen verafschuwt als de pest. Maar geloof me, want ik lieg nooit, weet je?” En dat terwijl ze cynisch grinnikend en net ietsje ruwer dan gemeend de parels van m'n voorhoofd dept met een stukje toiletpapier.
Iemand die mijn cynische nuchterheid weet te verdrijven met een roes van de grootste smeerlapperij der mensheid, liefde aldus. “Ja, jij bent mijn alles, voor altijd. En liegen doe ik nooit, dat weet je toch?”
Zolang die iemand me maar bemint, of doet alsof. Ik zal wel gelukkig zijn, niet alsof.
Een opportunistisch oppervlakkige lul, dat is niet gelogen.
De echte ik slechts voor de ware.
Iemand?

vrijdag 16 september 2011

Masochist

"Ik zie je graag", zei ze,
met de deurklink in haar hand.
En plots was ze weg,
zij, en haar liefde.


De liefde, die al even niet meer was,
niet meer mocht zijn. 
Geen reden, geen oorzaak,
maar bovenal geen lust.


Lust tot liefhebben, werklust aldus
die kreeg het aan de stok
met monstrueuze muizenissen
ik jank medelijden, kots wat wrok


Ooit grijp ik naar de klink,
en doe ik ook dit deurtje toe
Maar laat het nog even tochten,
ook al ben ik enorm moe


Geneugte in de pijn,
dan ben ik maar een masochist,
tijd heb ik bij hopen,
het onrecht blijft onbeslist.

donderdag 15 september 2011

Shit happens

“Bancontact?”, snauwt ze me al telefonerend toe. Hoewel de aderlating slechts 36 euro bedraagt, haal ik affirmerend de bankkaart boven. Terwijl de dame in kwestie - wiens vriendelijkheidsorgaan geamputeerd is in de loop van haar ongetwijfeld mistroostige levensloop - lustig voorts blijft melken in de hoorn, wijst ze me nonchalant wapperend de weg richting het machientje. Net zoals een dominus die met een achteloze draai van de pols zijn slaaf weet te melden: “Oh ja, ik heb terloops ook nog even in de hoek gescheten naast die grote amfoor. Opruimen die handel.” Daar aangekomen probeert het apparaatje me in ruil voor mijn code 283 euro af te luizen. Even slikken toch, en zelfs enkele spasmen in de kringspier, als je een bedrag van 36 euro verwacht. Aangezien er geen geld groeit op de rug van ondergetekende en hij terdege na elk toiletbezoek een controlerende blik richting product werpt alvorens door te spoelen– er moest maar eens goud tussen zitten, mag de liefhebbende dame zich even expliqueren. Ostentatief trek ik mijn kaart uit het apparaat, zonder de code in te geven. Het ding begint moord en brand te piepen. Meteen heb ik haar aandacht. “Excuseer meneer, er is iets fout gelopen want de transactie is nog niet voltooid.” De hoorn gaat vliegensvlug op de haak en ik deel mijn bedenkingen. Dat ik het praktisch examen wil afleggen met mijn eigen motor, wat me normaal slechts 36 euro zou kosten. “Ah neen meneer, uw voorlopig rijbewijs is slechts geldig tot en met vandaag. Binnen die periode moet u het examen afgelegd hebben.” “En er is geen manier om dit op te lossen?”, probeer ik nog wanhopig. “Neen, u dient nog twee extra uren les te volgen en moet daarna het examen afleggen met een motor van de rijschool.” Ze heeft me bij m'n klokkenspel en het klinkt haar klaarblijkelijk als muziek in de oren.

In gedachte ontwijk ik de druppels zwavelzuur die ze schuimbekkend mijn richting uitstuurt. Jezus Christus, zo een zure muil, waarvan zelfs een tube Lactacyd Femina de pH-waarde niet kan herstellen. Als er mij dan toch een financiële kloot dient afgedraaid te worden, doe het dan op z'n minst met de glimlach. Ik murmel nog iets over overleg met de ouders en sta op. “Zal ik de afspraken dan annuleren?” Neen, bijtel ze even in marmer, dan zal ik je er de kop mee inslaan. In de niet-imaginaire wereld kom ik uiteraard niet verder dan een gebrabbelde “Ja”. Wel, het is mijn eigen verdomde schuld. Te lang gewacht, en luiheid is des duivels oorkussen, nietwaar? Maar de volksmond wil ook dat als Satan schijt, hij dat op één en dezelfde grote hoop doet. Shit happens, maar hopelijk is mijn strontdag dan het toppunt van de week van deze bureaucratische en bovenal beminnelijke juffer. Kwestie van deze tristesse nog enige zingeving toe te dichten.

woensdag 7 september 2011

Beoogde ogen

De leugen bij uitstek van iedere man die zijn tekort aan beheersing amechtig tracht te verdoezelen door een vaak hypothetisch teveel aan testosteron: “Het eerste waar ik naar kijk, zijn de ogen.” In 99 procent van de gevallen een flagrante leugen, waaraan ik me - en ik klap uit de biecht zonder schaamrood op de wangen - ook al schuldig heb gemaakt. Maar laat ik, als kritische cynicus, bij lot bepaald tot dat ene pietluttige procentje behoren. Dame Fortuna, u heeft me wederom bij m'n kloten, en de stevigheid der houdgreep laat me vermoeden dat U zin heeft in een doorgedreven partijtje touwtrekkerij.

In dergelijke bewoording klinkt het zo mogelijk nog pijnlijker, maar ik waan me een masochist. Weerwerk bieden? Geen denken aan. Laat het maar gebeuren, elastieken benen, hortende hartenklop en bibberende stem ten spijt. Dit alles dus, door een bijzonder stel kijkers. Spreken, betoveren begeesteren: dat doen ze. Een heerlijk paar venstertjes van een geest die ik wil verkennen, waarin ik wil ronddolen en verloren lopen. De ogen zijn immers de spiegel van de ziel, nietwaar? De cocktail van adrenaline en onzekerheid zorgt voor een rondtollend hoofd dat ik dreig kwijt te spelen wegens te licht. En toch wordt de onnoemelijke lichtheid van het momentane bestaan met de seconde verzwaard. Door verscheuring tussen euforie en onzekerheid, ontembaar enthousiasme en mierenneukerij, rationele muizenissen en irrationele dromen. Een grote botsbal, met daarin nog enkele kleinere stuiterende knikkers. Klinkt allemaal nogal pijnlijk, nietwaar? Maar jongens toch, wat verlies ik mezelf graag in die allesbedwelmende smeerlapperij: figuurlijk prikken, slikken, snuiven en inhaleren.

Beoogde ogen dus. Maar zei een groot, en tevens ietwat pessimistisch denker ooit niet dat het lot de kaarten schudt, waardoor enkel het spel ons nog rest? Laat het antwoord daarop er eentje zijn van een roodharige snarendrijver die zijn gelijke niet kent. Hij voorzag de mensheid van het volgende adagium: go with the flow. En laat ik dat nu net van plan zijn, me laten meedrijven op de stroom der frivoliteit. Het lot heeft al vaker met mijn voeten gerammeld, daar geef ik niet meer om. Maar ditmaal eis ik wel een beetje clementie, en niet enkel de illusie van het geluk. Schudden en delen maar, Dame Fortuna. Ik heb er een goed oog in.  

zondag 28 augustus 2011

Moe is menne bok?

“Liefste Pukkelpoppertjes, hou jullie vast aan de takken van de bomen. De hel gaat losbarsten, nog voor Mr. Grohl zijn strot heeft opengezet.” Dit postte ik op Facebook, à la maison wegens herexamens, klaar om Mr. Rock and Grohl via de livestream aan het werk te zien. Nijd was mijn deel, ondanks de berichten over de naderende regenbui met een occasionele donderslag. Drie kwartier later besliste een onvoorziene storm er echter op uiterst drastische wijze anders over. Taalspielerei werd profetie. Wat was ik met plezier jaloers geweest op de aanwezigen die het frontbeest van de Foo Fighters normaliter live hadden horen grollen... Laat daarom vandaag Moe is menne bok rock in jeugdhuis de Molen een pleister op de wonde zijn, een wonde die zal helen. In het walhalla der Alkense jeugd: daar waar het geluk per 25 centiliter vloeit aan de belachelijk democratische prijs van 1 euro. Daar waar ongebreideld enthousiasme inzake alcoholisch vermogen iedere zelfverklaarde echte man de ochtend nadien degradeert tot een jammerend broekventje dat snakt naar de bekende cocktail van Dafalgan, Motilium, en in het slechtste geval ook Imodium. Daar waar de whereabouts van het pintje na de zoveelste sanitaire stop zoek durven raken, waardoor “Moe is menne bok?” later op de avond plaats ruimt voor “Moe is menne fiets?”, “Moe is menne sleutel?” en last but not least “Moe moet ik ook alweer naartoe om in mijn bedje te belanden?”

Maar draait het daar niet om? Camaraderie, figuurlijke en soms ook noodzakelijk letterlijke steun en samen een pint drinken of bokketetten, zoals dat hier zo sappig klinkt zonder tussen-n. Laat dergelijke dingen maar primeren, en laat ons met de nodige nederigheid pretenderen dat Moeder Natuur ons niet klein krijgt. Zo zal ik zaterdagnacht op mijn tweewieler al zigzaggend weigeren het hoofd te bieden aan die vorte tegenwind in de Langveldstraat. Zo ook mag Pukkelpop het hoofd niet bieden, en moet het mits ingetogenheid en respect strijden voor een uitgave in 2012. Niet in het minst ter nagedachtenis van de slachtoffers. Maar ook voor camaraderie en muziek, en dus voor een Pukkelpop 2012. Daar drink ik er straks eentje op. Waarschijnlijk meer dan eentje, kwestie van op zeker te spelen. Of zoals Dave Grohl het empathisch stelde op het eerste optreden van de Foo Fighters na de Pukkelpop-ravage: "Every day you wake up, is a good day". Een katertje nemen we er dan met plezier bij.

vrijdag 26 augustus 2011

Vriendschap

Voor een dergelijke invulling van het begrip vriendschap bouw ik met graagte nu al het graf waarop ik als een schuimbekkende wildeman tekeer zal gaan. Bij voorkeur met de vogelkensdans, want die beheers ik op professionele wijze.

zaterdag 6 augustus 2011

Ek eette hin vès

In benevelde toestand ram ik met beide duimen op mijn gsm waardoor dergelijk sms-taaltje weleens durft te ontstaan. Maar met de hand op het hart, en dicht genoeg bij de lever, als ik dit neerpen ben ik enkel onder invloed van de zilte geur van 't zeetje. Midweekje mare nostrum, maar ik waan me in rehab. Noem me een zagevent, maar het West-Vlaamse dialect klinkt als dronkenmansgelal. 't Lijken wel blaffende honden, eens een conversatie op kruissnelheid komt. Maar op welk moment in onze pietluttige geschiedenis leek het overboord gooien van de medeklinkers een strak plan? Op die manier zal je niet gauw een partijtje Scrabble winnen.

Neen, geef mij maar het zeemzoete Alkense dialect. 't Heeft ook zijn scherpe kantjes, maar in het merendeel van de gevallen tovert het een glimlach op het gelaat van de niet-kenners. Helaas, glimlachen doe ik niet als een West-Vlaming mij een mededeling doet of een vraag stelt, wel trek ik een gezicht dat te vergelijken valt met de tronie van mijn hondje als ik haar voor de zoveelste keer uitleg dat een wesp niet het meest verkieslijke soort speelgoed is. De '¿Que?'-blik van Manuel uit de reeks Fawlty Towers, vrij vertaald als: 'Ik snap er de ballen van'. Een jongedame uit deze nabij de zee gelegen contreien probeerde me er ooit zelfs van te overtuigen dat zowel Limburgers als West-Vlamingen in 't zelfde schuitje zitten. We worden beide beschimpt omwille van ons dialect en de verstaanbaarheid ervan, stelde ze. Na even gegrinnikt te hebben nam ik de benen. Non-verbale en zeer kortstondige communicatie leek me vanuit haar opzicht de minst pijnlijke oplossing.

Ik lust zelfs geen vis, zoals de titel al liet vermoeden. Graten uit je mond zitten prielen tijdens het eten, knettergek word ik ervan. Zeevruchten, tot daaraan toe, en dan nog liefst de chocolade variant. En zand, overal zand. Neen, laat mij maar riddergewijs rondsnorren op mijn stalen ros, door het Alkense bronsgroen, dat nog net dat ietsje groener is dan het overige eikenhout.

Wat ik hier dan kom zoeken aan de plas? Verstrooiing, aangezien de jonkvrouwe mijn burcht heeft verlaten. Een periode waarin de illusie van een droom steevast verwerd tot een pijnlijke desillusie bij het ontwaken. Ook al was het een nachtmerrie. Of misschien zelfs een frisse deerne, want zoals moederlief me verzekerde, er zwemt nog voldoende vis in de amoureuze zee.

Man, dat zou het zijn, een West-Vlaamse schone aan de haak slaan. Dan mag ik binnenkort gratis parkeren, als een verbale afwijking tot de handicaps gerekend wordt toch. Onze burgervader, een West-Vlaming nota bene, staat immers zijn privéparking af aan de minder mobiele mensen. Nobel, als u het mij vraagt.

Een hehandicaptenparkinge, in 't West-Vlaams à la Piet Huysentruyt. Eenenveertig Scrabble-punten, op z'n minst. Ik weet wat mij te doen staat.  

woensdag 27 juli 2011

Bittersweet

'Het leven is duur'. Een cliché dat staat als een huis, en hand in hand gaat met 'Hoe is het met de kinderen?' en 'Slecht weer voor de tijd van het jaar'. Pro-formastellingen die menig stokkende conversatie voor een gênante vroegtijdige dood behoeden. Wel, voor deze jongen is het helaas geen holle frase, getuige daarvan mijn verre van Zwitsers maar des te meer studentikoos bankrekeningetje. Noblesse oblige: niet-adelijk spreekwoordelijk bloed en liters letterlijk zweet zal deze klaploper laten in een godzijdank goedverdienende fabrieksomgeving. De tranen laten we achterwege. Flesjes sorteren in de brouwerij? Helaas, de schandpaal lonkt want ik maak me schuldig aan landverraad. Gemeenteverraad liever, want winstbejag drijft me naar onze buurgemeente Sint-Truiden. Aldaar zal ik mijn peren zien. Niet in een of andere fruitveiling, wel in het walhalla van de schokdempers, Tenneco, waar vaderlief al bijna 40 jaar voor brood op de plank zorgt. Waar ook ik nu van maandag tot en met vrijdag, telkenmale van tien uur 's avonds tot zes uur 's ochtends ervoor zal zorgen dat uw nageslacht – letterlijk én figuurlijk ditmaal – schokvrij in de automobiel over het Belgische wegennetwerk kan zoeven, dat nu en dan met brio de vergelijking met het pokdalige gezicht van Janneke Maan kan doorstaan.

Hersendodend bandwerk, dat men fysiek niet dient te onderschatten. Niet zelden waan ik me Mr. Chaplin in Modern Times, een anoniem tandwiel dat uiteindelijk verzwolgen wordt door het grote netwerk. Mens wordt machine doorheen de nacht. Geradbraakt richting tikklok, begeleid door het getsjirp van de vroege vogeltjes, om dan op automatische piloot en met een gracieuze buiklanding mezelf in de beddenbak te storten. Slechts drieëntwintig dagen lang, met als enige drijfveer een riant loon waarop Vadertje Staat nauwelijks aanspraak mag maken. Dat verzacht de beet door de zure appel. Maar een leven lang, dag in dag uit het vege lijf van tikklok naar tikklok slepen, als waren het staties in een gepersonaliseerde kruisweg? De appel verwordt al snel tot een citroen. Verzuurde tronies spreken boekdelen. Ietwat joie de vivre door berusting is uiteraard wenselijk, maar wie ben ik om te oordelen? Lijf en vergrijsde leden worden er immers afgejakkerd voor zowel het eigen als andermans pensioentje, incluis het mijne in een verre toekomst. De pensioenleeftijd optrekken tot 67? Laat president Herman dat hier maar zelf komen verkondigen. Ik voorspel hem een grimmige rondleiding, besmeurd met pek, veren en heel wat olie.

Maar kom, laat ik geen pessimistische zeikerd wezen, het is niet al kommer en kwel aan de lopende band. Er zijn ook leutige momenten, getuige daarvan volgende filosofische analyse van het fabriekswezen door een medearbeider. “Er lopen hier veel mensen rond met een kakbakkes. Een verwrongen gelaat dat ik enkel en alleen opzet indien er zware arbeid dient verricht te worden in het kleinste kamertje. Helaas zien zij er altijd zo uit. Stel je die mensen voor als ze op de porseleinen troon van jetje geven. Dubbel zuur, 't moet geen zicht zijn.” Nu ik het bedenk, zo moet ik er ook uitgezien hebben na de eerste slok van mijn eerste extreem bittere gerstenatje op een of andere Paralfuif, gekocht met mijn eerste zakcentjes. Moest ik geweten hebben wat aan die parentale dotatie was voorafgegaan, het had heel wat beter gesmaakt.

dinsdag 21 juni 2011

Queeste

Schenk me die zoete liefde,
nog één keer.
Zonder het veilige dralen,
maar wel oprecht, zonder meer.

Samen dansen, richting kim,
laat mij geen Tantalus zijn.
Ik verjaag Kerberos uit je hoofd,
schaak jou, terug de mijn.

Vorte hond, met je flikkerend gebit, zit, af en blijf.
Met de strop rond die oude knoest,
en de karwats over je vege bloedende lijf,
ransel ik je terug richting onderwereld, ziedend, woest.

Terug in jouw bovenkamer, onbewaakt,
zie mijn zalvende queeste, aldaar.
Met onzekere tred drijf ik mezelf vooruit, en kijk niet om, of toch?
Mijn Eurydice, dit verlies wordt veel te zwaar.

maandag 20 juni 2011

Klaagzang


"Het is in de liefde als bij de muziek: de dissonanten zijn vreselijker naarmate zij dichter bij de harmonie liggen." - Godfried Bomans

maandag 23 mei 2011

Hoe sterk is de eenzame fietser

Soms verliest ze de pedalen,
eenzame fietser in de nacht
heroïsche vlucht, twijfelende tweedracht
nimmer stoppend najagen en dwalen.

Surplace is dodelijk, vrees voor het einde voorafgaand aan de officiële start
Und drang, met een beetje Sturm, tandems zijn voor melodrama-schijtend-gespuis.
Carambole, irrationeel tot de dood, in de strijd van dal tot piek en terug hoort liefde niet thuis,
het podium is de troon van de winnaar, nummertje twee tot de rode lantaarn delen smart.

Tranen en snot, angstaanjagend, nog voor de finish. Zij, masochist, bidt dat de kalkstreep nooit komen zal.

Laat mij maar een dynamo wezen, zij zal wel fietsen gaan.
Nauwelijks merkbaar, maar ik ben er bij, hopelijk zet ze me soms eens aan.

vrijdag 22 april 2011

Ik ben heus geen melker


Dagelijks neem ik de trein, en telkenmale probeer ik mezelf ervan te overtuigen dat het zo slecht nog niet gesteld is met de de kop van jut bij uitstek: onze teerbeminde NMBS. Laten we stoppen met dat collectief gemelk, op een ander is het echt niet beter. Privatiseer de hele mikmak, en we betalen ons blauw. Ik geef toe, die 'vijf-minuten-vertraging' voor de elfendertigste keer wekt terecht de nodige agressie op, wetende dat 'vijf minuten' in NMBS-termen steevast een eufemisme is voor minimum het zesvoudige en in het 'beste' geval een afgeschafte trein. Laat ik die ironische woorden terugnemen, ik ben heus geen melker. Ik geniet van het leven, zelden bulderlachend, des te meer grijzend. Grijzend, om die sporende mierenneukers die het als een straf ervaren om vijf minuten langer op hun werk te moeten blijven, waardoor een semi-erectie hun deel is als de term prepensioen valt. Zo ook grijzend om de – helaas- hedendaagse stereotiepe conducteur. De getormenteerde kaartjesknipper die zich vol zelfbeklag van wagon tot wagon sleept, ieder kaartje dat geknipt dient te worden beschouwend als een statie tijdens de kruisweg. Zuchtend en zwalpend: “Vergeef zowel de enthousiaste jeugdelingen als de alreeds dementerende NMBS-leken vader, ze weten immers niet wat ze doen.”


Correct, de vergrijzende kolder op het perron ervaart de tsjoektsjoek niet zelden als een futuristische shuttle, het razende stalen monster dat hen hopelijk zal uitbraken op het strand van Oostende. Maar ook de ADHD-gevoelige kweekvijvers van acne en geisers van ontluikend testosteron en oestrogeen doen mij als opportunistische atheïst geregeld de ogen ten hemel slaan met Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” als mantra prevelend. De jeugdige exaltatie is de zogenoemde verboden vrucht waar we nochtans en masse gretig de tanden ingezet hebben, en een vals stel bijters op het nachtkastje ligt voor ons allen in het verschiet. Enige clementie is hier dus wel aangewezen.

Een droomjob is het mijns inziens allerminst, de combinatie van zowel professioneel gaatjesmaker als “Goeiemorgen, vervoersbewijs alstublieft, dankuwel!”-declamator. Maar bewuste carrièremove of noodzakelijke financiële pleister, doe het als het u even belieft met de nodige joie de vivre. Een dag niet gelachen - een gereserveerde grinnik vergezeld van een binnenpretje will do the job - is een dag niet geleefd. De corbillard denderend over de bielzen, terwijl de vriendelijkheid en de arbeidsvreugde ten grave gedragen worden in, waarom niet, Oostende. De tussenstops van de lijkstoet worden obligaat vol zelfbeklag aangekondigd via de intercom. Tristesse druipt uit de luidsprekers over de kruinen van de reizigers als ware het een ranzig ei tijdens de studentendoop.

Maar ik ben toch geen melker, het is heus niet al kommer en kwel! Nu en dan eens een opgewekte conducteur die de zwaarte van het bestaan weet op te fleuren, onze weg naar het brood op de plank verlicht met een leutig farçeke of een gedichtje via het omroepsysteem. Nu, wees eerlijk, maandagen vallen nog te pruimen, maar op vrijdag slepen we ons allen van punt a naar punt b, hetzij een arbeids- hetzij een studieplaats. Doet me denken aan de wijsheid van papalief: “Het leven is een strijd, en wie lang genoeg strijdt, die wordt een oudstrijder”. Een volkse platitude wat betreft logica, maar ze herbergt wel enige kern van waarheid. Oudstrijders echter dragen medailles voor eer, moed en opoffering. Geen gouden handdruk in die tijd, wel slechts eeuwig prepensioen door een al dan niet verdwaalde kogel. Ideetje voor nu? Neen toch, ik ben heus geen melker. 

donderdag 31 maart 2011

Handen wassen!

Een deftige jongeman ben ik, al zeg ik het zelf, maar mijn handen was ik zelden of nooit. Zo'n zeepreukje kan mijn hele maaltijd verpesten, bouletten met een pregnante lavendelgeur zijn namelijk niet zo mijn ding. Zelfs geen sopje na een passage in het kleinste kamertje? Ik hoor het u al vragen. Dat durft wel eens gebeuren, een ruiterlijke bekentenis zonder schaamrood op de wangen. Hij die zonder toilethygiënische zonde is, werpe de eerste steen. Nu, enkel thuis natuurlijk, op een ander grijp ik vanzelfsprekend na ieder toiletbezoek plichtbewust naar zeep en handdoek. Niet omdat mijn handen vuil zijn – toiletpapier heeft zo zijn nut, en met de vorige maaltijd in het achterhoofd en een goede inschatting van het aantal velletjes blijven de polletjes normaal gezien proper - wel om de goegemeente niet op haar paard te krijgen. Dat brengt ons onverhoeds bij paarden. Angst voor paarden, meer bepaald, al van kindsbeen af. Als er Shetlandpony's in de buurt waren, werd ik er iedere keer door mijn grootvader - een notoir paardenzot - op geplant. Zijn veel te grote hoed over mijn oren én ogen, een stevige klets op de ponykont, en hup, blindelings de prairie in.

Welnu, jaarlijks wordt ter ere van Sint-Joris’ overwinning op de draak een heuse paardenprocessie gehouden waarbij de priester iedere knol besprenkelt met het heilige water. Een prachtig folkloristisch gegeven, maar het tovert het hemelse Sint-Joris om tot mijn persoonlijke hel. Ik verklaar mij nader. We schrijven april in het jaar des Heeren 1994. Menig paardenliefhebber heeft naar jaarlijkse gewoonte verzameld op het kerkplein. Zo ook grootvader, voorzien van ros en zelf geknutselde kar. Welnu, lang heeft het avontuur niet geduurd. Het paard had er zwaar de pest in, en sloeg bij wijze van ostentatief protest op hol. Het tempo van de processie schoot aanzienlijk de hoogte in. Ruiters te paard, verkleed als de koene ridder Sint-Joris, leken plots niet meer zo onvervaard. Ook nog nooit een priester zo snel zien prevelen en wijden. Al snel werd grootvader uit koers genomen, opluchting alom. Ik, als ukkie, wankelde op elastieken beentjes richting thuis. Spijtig genoeg was opa van geen kleintje vervaard, en tekende hij enkele weken later terug present, ditmaal zonder processie. Geen drama deze keer, wel een vlekkeloos parcours, en dat diende gevierd te worden. Na het tochtje urineerde het paardje van puur contentement op onze oprit. Ook opa was zeer gelukkig, en hij toonde dat op zijn beurt door zijn handen te wassen onder de klaterende gouden fontein.

Knettergek, dat wel, maar grootvader was geen slechte man. Naast paardenangst en een afkeer van het handen wassen bracht hij me ook de liefde voor de koers bij, die als ware ze genetisch bepaald door mijn bloed raast. Tevens was ie een keikop zonder weerga en niet ongevoelig voor vrouwelijk schoon. Ook genetisch bepaald? Wie zal het zeggen. Ik was mijn handen in de genenpoel der onschuld...

vrijdag 18 maart 2011

Vadertje Staat

geeft zijn zoon welgeteld 18 euro en 64 centjes. Niet meer, maar ook niet minder. Ik trek terug van de belastingen, zoals dat zo sappig klinkt in de volksmond. U hoort mij niet klagen, het is beter dan te moeten terug geven, hoewel dat zeer onwaarschijnlijk is voor een student die enkel in het weekend wat (legaal) bijklust. Onwaarschijnlijk, net zoals duizenden euri terugtrekken dat ook wel zou zijn. Achttien euro en vierenzestig centjes dus, afgehaald in het postkantoor. Krabbeltje moeten zetten waardoor ik meteen honderden grammen aan kleingeld zwaarder woog. Correct, uitgedrukt in gewicht lijkt het nog meer.

Wat ik ermee ga doen? Op restaurant gaan zit er niet in, de frituur lijkt al wat realistischer met mijn (relatief) beperkte budget. Hoewel, de prijs van de patat schiet de hoogte in. Vroeger kreeg ik van de mama 100 Belgische frankjes, waarmee ik mezelf opzadelde met een stevige indigestie in de lokale frituur. Alles wordt duurder (nog zo een heerlijke volkswijsheid), maar mijn maagje was toen ook een pak kleiner. Inderdaad, 1+1 is nog altijd gelijk aan 2. Certitudes in ons nietige bestaan houden ons gaande en staande. Trouwens, de federatie van de aardappelhandel heet Belgapom. Lachen geblazen, en blauwe dijen van het kletsen.

De prijs van het bier stijgt, de hoeren worden duurder en we hebben nog steeds geen regering. Daarom ga ik die 18 euro en 64 centjes omruilen voor Britse pondjes waardoor ik zelfs wat verlies lijd, apenlandje België ontvluchten naar Schotland voor een kleine week, en daar het vriendinnetje trakteren op een cupcakeje. Of ik koop een bus slagroom, een doos ijs en een pak chocolade. Daar weten we ook wel weg mee. Op verschillende manieren ja. Dit worden de beste 18 euro en vier centjes die ik ooit gespendeerd zal hebben. Dank u papa.  

Peper

In mijn reet als het even kan. En veel graag. Binnenkort examens, slechts drie. En nog slaagt Quevìn er in om een ganse dag te lopen rond neuken - niet letterlijk, de nog niet wettelijke wederhelft vertoeft in Schotland voor een studie van Europese witte doeksels en dies meer - en werkelijk niets te doen. Wel vroeg opgestaan, lay-out verzorgd van een paper over de Pythons en hun Graal. Who cares, inderdaad.

Ik eis zon en zout op de patatten, want de mama is daar tegen. Op de moto, wind in de haren. Via het openstaande vizier, want een helm is een must. Moeder is ook tegen moto's, en doe daar ook maar de hele wereld bij om het eventjes te generaliseren. Knusse bekrompenheid onder de kerktoren, eens uit de pampers begint dat tegen te steken. Daarom ga ik de wereld veroveren, in mijn hoofd. Met peper in mijn reet, want dat is nieuw. Wat de mama daar van denkt? Dat ik half gepoept ben. Neen helaas, ik mag en kan niet overal parkeren waar ik wil, enkel mentale kosten zijn mijn deel. Zolang ik er zelf maar geen last van heb.

Genoeg gezeverd, volgende keer brandend actuele informatie waarvan iedereen denkt: “Awel ja, hij heeft nondedju gelijk. En zo grappig geformuleerd, maar tegelijkertijd schertsend scherp”. Of ik leg uit dat 'dèdè' iets met tetten van doen heeft. Misschien maak ik daar volgend jaar wel mijn paper over.

'Over zijn (&) haar'

Zijn haar het hare.
Haar haar het zijne.

Diep geworteld, tot in de puntjes.
Niet splijtend, noch broos.

Haar zijn en wezen,
een affectueuze verslaving.
Zij weze de zijne.
Bekeerde rusteloze nomadische ziel.

Parmantig palmboomstaartje,
schattig speels, onherroepelijk ontwapenend.
Ontspruitende liefdesfontein.

Diepgeworteld tot in de puntjes.
Niet splijtend, nooit broos.

Haar zijn weze puur,
het pure zijn.
Zijn zijn weze het hare.

Samen één zijn.
Eén wezen.  


Shit, het is carnaval

We nemen dit Angelsaksische leenwoord maar al te graag in de mond, te pas en te onpas. Vreemd vind ik dat. In de supermarkt eindelijk de kassa bereiken om dan tot de conclusie te komen dat je bankkaart je in gedachten toegrijnst vanop de keukentafel: shit. Een al te enthousiaste ontmoeting van je kleine teen met de tafelpoot: shit in het kwadraat, en doe er voor de zekerheid nog maar een paar bij. Het niet eens zijn met de bemerking van de collega, mama of desbetreffende vriend(in): shit, maar dan wel het soort dat zijn eerste levenslicht mocht aanschouwen vanuit het achterste van een stier. En mensen die het even niet meer weten, zitten tot over hun oren in de bruine materie. Vervang het woord door ons Nederlandse equivalent, en al gauw zal u merken dat het gebruik ervan kant noch wal raakt.

Wat schort er aan onze sappige moedertaal? Het vervlaamste Nederlands heeft een bijzonder rijk arsenaal aan verwensingen, vaak doorspekt met beschuldigingen aan het adres van Onze Schepper. Terecht overigens, want als we de schlemielen woonachtig te Vaticaanstad nog steeds moeten geloven, heeft Hij een stevige vinger in de spreekwoordelijke pap die ons leven is te brokken. Een pap die voor steeds meer mensen zwaar shit is, excusez le mot.

Dat brengt me trouwens naadloos – logica is niet zo mijn ding - bij mijn meest hachelijke toilethistorie sinds jaren, beleefd in Schotland, het actuele studieterrein van mijn nog niet wettelijke wederhelft. Als de sanitaire nood het hoogst is, is de redding helaas niet altijd nabij. Billen op elkaar dus, en hopen op het beste. Uiteindelijk vond de ultieme verlossing plaats op een porseleinen troon in het lokale universiteitsgebouw. De opluchting was van een bovenaards allooi, maar al snel ervoer ik een stevige domper op de persoonlijke feestvreugde die rondwaarde in het kleinste kamertje. Voldoende toiletpapier voor een leger geteisterd door de vlammende schijterij, dat wel, maar het wilde maar niet uit dat verdomde toestel –dispenser, als het dan echt moet - komen. Normaal gezien bevindt er zich een gat in het midden van de dispenser waaruit een klein stompje papier de voorbode is van voldoende kuismateriaal. Helaas was het op uitgerekend dat moment niet het geval.

Geloof me vrij, de toiletpapierblokkade zorgde ervoor dat de opluchting algauw plaats ruimde voor het nodige angstzweet. Met de broek op de enkels tot het volgende hokje sluipen? Ik dacht het niet. Als een wildeman ging ik het stompje papier te lijf. Na enkele minuten die wel een uur leken te duren, kwam het besef: het kleine stompje lag aan flarden op de grond: vaarwel laatste strohalm. Als laatste wanhoopsdaad nog even alle zakken controleren alvorens mijn zakdoek op te offeren. Wonder boven wonder duikelde ik nog een papieren servet op in mijn jaszak, een exemplaar waarop het vriendinnetje een kunstwerk had neergepend tijdens een niet erg geanimeerde brunch.

Had ik me daar even godverdomse chance, want shit zeg, op een hemels mirakel moeten we dezer dagen ook al niet meer rekenen, vergeef mij het gebezigde vocabularium. Gelukkig is er dan het vriendinnetje dat mij van kunstige mirakels voorziet. En dan weet je het wel, zij is de ware.

PS: Bij het aanhoren van de term arty farty baant mijn maaginhoud zich stante pede een weg naar buiten, ook dat even ter zijde. Maar in deze context krijgt hij een heel nieuwe dimensie waardoor er wel een grijns afkan. En dan nu over tot de aankoop van toiletpapier, want het is bijna carnaval.