donderdag 31 maart 2011

Handen wassen!

Een deftige jongeman ben ik, al zeg ik het zelf, maar mijn handen was ik zelden of nooit. Zo'n zeepreukje kan mijn hele maaltijd verpesten, bouletten met een pregnante lavendelgeur zijn namelijk niet zo mijn ding. Zelfs geen sopje na een passage in het kleinste kamertje? Ik hoor het u al vragen. Dat durft wel eens gebeuren, een ruiterlijke bekentenis zonder schaamrood op de wangen. Hij die zonder toilethygiënische zonde is, werpe de eerste steen. Nu, enkel thuis natuurlijk, op een ander grijp ik vanzelfsprekend na ieder toiletbezoek plichtbewust naar zeep en handdoek. Niet omdat mijn handen vuil zijn – toiletpapier heeft zo zijn nut, en met de vorige maaltijd in het achterhoofd en een goede inschatting van het aantal velletjes blijven de polletjes normaal gezien proper - wel om de goegemeente niet op haar paard te krijgen. Dat brengt ons onverhoeds bij paarden. Angst voor paarden, meer bepaald, al van kindsbeen af. Als er Shetlandpony's in de buurt waren, werd ik er iedere keer door mijn grootvader - een notoir paardenzot - op geplant. Zijn veel te grote hoed over mijn oren én ogen, een stevige klets op de ponykont, en hup, blindelings de prairie in.

Welnu, jaarlijks wordt ter ere van Sint-Joris’ overwinning op de draak een heuse paardenprocessie gehouden waarbij de priester iedere knol besprenkelt met het heilige water. Een prachtig folkloristisch gegeven, maar het tovert het hemelse Sint-Joris om tot mijn persoonlijke hel. Ik verklaar mij nader. We schrijven april in het jaar des Heeren 1994. Menig paardenliefhebber heeft naar jaarlijkse gewoonte verzameld op het kerkplein. Zo ook grootvader, voorzien van ros en zelf geknutselde kar. Welnu, lang heeft het avontuur niet geduurd. Het paard had er zwaar de pest in, en sloeg bij wijze van ostentatief protest op hol. Het tempo van de processie schoot aanzienlijk de hoogte in. Ruiters te paard, verkleed als de koene ridder Sint-Joris, leken plots niet meer zo onvervaard. Ook nog nooit een priester zo snel zien prevelen en wijden. Al snel werd grootvader uit koers genomen, opluchting alom. Ik, als ukkie, wankelde op elastieken beentjes richting thuis. Spijtig genoeg was opa van geen kleintje vervaard, en tekende hij enkele weken later terug present, ditmaal zonder processie. Geen drama deze keer, wel een vlekkeloos parcours, en dat diende gevierd te worden. Na het tochtje urineerde het paardje van puur contentement op onze oprit. Ook opa was zeer gelukkig, en hij toonde dat op zijn beurt door zijn handen te wassen onder de klaterende gouden fontein.

Knettergek, dat wel, maar grootvader was geen slechte man. Naast paardenangst en een afkeer van het handen wassen bracht hij me ook de liefde voor de koers bij, die als ware ze genetisch bepaald door mijn bloed raast. Tevens was ie een keikop zonder weerga en niet ongevoelig voor vrouwelijk schoon. Ook genetisch bepaald? Wie zal het zeggen. Ik was mijn handen in de genenpoel der onschuld...

vrijdag 18 maart 2011

Vadertje Staat

geeft zijn zoon welgeteld 18 euro en 64 centjes. Niet meer, maar ook niet minder. Ik trek terug van de belastingen, zoals dat zo sappig klinkt in de volksmond. U hoort mij niet klagen, het is beter dan te moeten terug geven, hoewel dat zeer onwaarschijnlijk is voor een student die enkel in het weekend wat (legaal) bijklust. Onwaarschijnlijk, net zoals duizenden euri terugtrekken dat ook wel zou zijn. Achttien euro en vierenzestig centjes dus, afgehaald in het postkantoor. Krabbeltje moeten zetten waardoor ik meteen honderden grammen aan kleingeld zwaarder woog. Correct, uitgedrukt in gewicht lijkt het nog meer.

Wat ik ermee ga doen? Op restaurant gaan zit er niet in, de frituur lijkt al wat realistischer met mijn (relatief) beperkte budget. Hoewel, de prijs van de patat schiet de hoogte in. Vroeger kreeg ik van de mama 100 Belgische frankjes, waarmee ik mezelf opzadelde met een stevige indigestie in de lokale frituur. Alles wordt duurder (nog zo een heerlijke volkswijsheid), maar mijn maagje was toen ook een pak kleiner. Inderdaad, 1+1 is nog altijd gelijk aan 2. Certitudes in ons nietige bestaan houden ons gaande en staande. Trouwens, de federatie van de aardappelhandel heet Belgapom. Lachen geblazen, en blauwe dijen van het kletsen.

De prijs van het bier stijgt, de hoeren worden duurder en we hebben nog steeds geen regering. Daarom ga ik die 18 euro en 64 centjes omruilen voor Britse pondjes waardoor ik zelfs wat verlies lijd, apenlandje België ontvluchten naar Schotland voor een kleine week, en daar het vriendinnetje trakteren op een cupcakeje. Of ik koop een bus slagroom, een doos ijs en een pak chocolade. Daar weten we ook wel weg mee. Op verschillende manieren ja. Dit worden de beste 18 euro en vier centjes die ik ooit gespendeerd zal hebben. Dank u papa.  

Peper

In mijn reet als het even kan. En veel graag. Binnenkort examens, slechts drie. En nog slaagt Quevìn er in om een ganse dag te lopen rond neuken - niet letterlijk, de nog niet wettelijke wederhelft vertoeft in Schotland voor een studie van Europese witte doeksels en dies meer - en werkelijk niets te doen. Wel vroeg opgestaan, lay-out verzorgd van een paper over de Pythons en hun Graal. Who cares, inderdaad.

Ik eis zon en zout op de patatten, want de mama is daar tegen. Op de moto, wind in de haren. Via het openstaande vizier, want een helm is een must. Moeder is ook tegen moto's, en doe daar ook maar de hele wereld bij om het eventjes te generaliseren. Knusse bekrompenheid onder de kerktoren, eens uit de pampers begint dat tegen te steken. Daarom ga ik de wereld veroveren, in mijn hoofd. Met peper in mijn reet, want dat is nieuw. Wat de mama daar van denkt? Dat ik half gepoept ben. Neen helaas, ik mag en kan niet overal parkeren waar ik wil, enkel mentale kosten zijn mijn deel. Zolang ik er zelf maar geen last van heb.

Genoeg gezeverd, volgende keer brandend actuele informatie waarvan iedereen denkt: “Awel ja, hij heeft nondedju gelijk. En zo grappig geformuleerd, maar tegelijkertijd schertsend scherp”. Of ik leg uit dat 'dèdè' iets met tetten van doen heeft. Misschien maak ik daar volgend jaar wel mijn paper over.

'Over zijn (&) haar'

Zijn haar het hare.
Haar haar het zijne.

Diep geworteld, tot in de puntjes.
Niet splijtend, noch broos.

Haar zijn en wezen,
een affectueuze verslaving.
Zij weze de zijne.
Bekeerde rusteloze nomadische ziel.

Parmantig palmboomstaartje,
schattig speels, onherroepelijk ontwapenend.
Ontspruitende liefdesfontein.

Diepgeworteld tot in de puntjes.
Niet splijtend, nooit broos.

Haar zijn weze puur,
het pure zijn.
Zijn zijn weze het hare.

Samen één zijn.
Eén wezen.  


Shit, het is carnaval

We nemen dit Angelsaksische leenwoord maar al te graag in de mond, te pas en te onpas. Vreemd vind ik dat. In de supermarkt eindelijk de kassa bereiken om dan tot de conclusie te komen dat je bankkaart je in gedachten toegrijnst vanop de keukentafel: shit. Een al te enthousiaste ontmoeting van je kleine teen met de tafelpoot: shit in het kwadraat, en doe er voor de zekerheid nog maar een paar bij. Het niet eens zijn met de bemerking van de collega, mama of desbetreffende vriend(in): shit, maar dan wel het soort dat zijn eerste levenslicht mocht aanschouwen vanuit het achterste van een stier. En mensen die het even niet meer weten, zitten tot over hun oren in de bruine materie. Vervang het woord door ons Nederlandse equivalent, en al gauw zal u merken dat het gebruik ervan kant noch wal raakt.

Wat schort er aan onze sappige moedertaal? Het vervlaamste Nederlands heeft een bijzonder rijk arsenaal aan verwensingen, vaak doorspekt met beschuldigingen aan het adres van Onze Schepper. Terecht overigens, want als we de schlemielen woonachtig te Vaticaanstad nog steeds moeten geloven, heeft Hij een stevige vinger in de spreekwoordelijke pap die ons leven is te brokken. Een pap die voor steeds meer mensen zwaar shit is, excusez le mot.

Dat brengt me trouwens naadloos – logica is niet zo mijn ding - bij mijn meest hachelijke toilethistorie sinds jaren, beleefd in Schotland, het actuele studieterrein van mijn nog niet wettelijke wederhelft. Als de sanitaire nood het hoogst is, is de redding helaas niet altijd nabij. Billen op elkaar dus, en hopen op het beste. Uiteindelijk vond de ultieme verlossing plaats op een porseleinen troon in het lokale universiteitsgebouw. De opluchting was van een bovenaards allooi, maar al snel ervoer ik een stevige domper op de persoonlijke feestvreugde die rondwaarde in het kleinste kamertje. Voldoende toiletpapier voor een leger geteisterd door de vlammende schijterij, dat wel, maar het wilde maar niet uit dat verdomde toestel –dispenser, als het dan echt moet - komen. Normaal gezien bevindt er zich een gat in het midden van de dispenser waaruit een klein stompje papier de voorbode is van voldoende kuismateriaal. Helaas was het op uitgerekend dat moment niet het geval.

Geloof me vrij, de toiletpapierblokkade zorgde ervoor dat de opluchting algauw plaats ruimde voor het nodige angstzweet. Met de broek op de enkels tot het volgende hokje sluipen? Ik dacht het niet. Als een wildeman ging ik het stompje papier te lijf. Na enkele minuten die wel een uur leken te duren, kwam het besef: het kleine stompje lag aan flarden op de grond: vaarwel laatste strohalm. Als laatste wanhoopsdaad nog even alle zakken controleren alvorens mijn zakdoek op te offeren. Wonder boven wonder duikelde ik nog een papieren servet op in mijn jaszak, een exemplaar waarop het vriendinnetje een kunstwerk had neergepend tijdens een niet erg geanimeerde brunch.

Had ik me daar even godverdomse chance, want shit zeg, op een hemels mirakel moeten we dezer dagen ook al niet meer rekenen, vergeef mij het gebezigde vocabularium. Gelukkig is er dan het vriendinnetje dat mij van kunstige mirakels voorziet. En dan weet je het wel, zij is de ware.

PS: Bij het aanhoren van de term arty farty baant mijn maaginhoud zich stante pede een weg naar buiten, ook dat even ter zijde. Maar in deze context krijgt hij een heel nieuwe dimensie waardoor er wel een grijns afkan. En dan nu over tot de aankoop van toiletpapier, want het is bijna carnaval.