We nemen dit Angelsaksische leenwoord maar al te graag in de mond, te pas en te onpas. Vreemd vind ik dat. In de supermarkt eindelijk de kassa bereiken om dan tot de conclusie te komen dat je bankkaart je in gedachten toegrijnst vanop de keukentafel: shit. Een al te enthousiaste ontmoeting van je kleine teen met de tafelpoot: shit in het kwadraat, en doe er voor de zekerheid nog maar een paar bij. Het niet eens zijn met de bemerking van de collega, mama of desbetreffende vriend(in): shit, maar dan wel het soort dat zijn eerste levenslicht mocht aanschouwen vanuit het achterste van een stier. En mensen die het even niet meer weten, zitten tot over hun oren in de bruine materie. Vervang het woord door ons Nederlandse equivalent, en al gauw zal u merken dat het gebruik ervan kant noch wal raakt.
Wat schort er aan onze sappige moedertaal? Het vervlaamste Nederlands heeft een bijzonder rijk arsenaal aan verwensingen, vaak doorspekt met beschuldigingen aan het adres van Onze Schepper. Terecht overigens, want als we de schlemielen woonachtig te Vaticaanstad nog steeds moeten geloven, heeft Hij een stevige vinger in de spreekwoordelijke pap die ons leven is te brokken. Een pap die voor steeds meer mensen zwaar shit is, excusez le mot.
Dat brengt me trouwens naadloos – logica is niet zo mijn ding - bij mijn meest hachelijke toilethistorie sinds jaren, beleefd in Schotland, het actuele studieterrein van mijn nog niet wettelijke wederhelft. Als de sanitaire nood het hoogst is, is de redding helaas niet altijd nabij. Billen op elkaar dus, en hopen op het beste. Uiteindelijk vond de ultieme verlossing plaats op een porseleinen troon in het lokale universiteitsgebouw. De opluchting was van een bovenaards allooi, maar al snel ervoer ik een stevige domper op de persoonlijke feestvreugde die rondwaarde in het kleinste kamertje. Voldoende toiletpapier voor een leger geteisterd door de vlammende schijterij, dat wel, maar het wilde maar niet uit dat verdomde toestel –dispenser, als het dan echt moet - komen. Normaal gezien bevindt er zich een gat in het midden van de dispenser waaruit een klein stompje papier de voorbode is van voldoende kuismateriaal. Helaas was het op uitgerekend dat moment niet het geval.
Geloof me vrij, de toiletpapierblokkade zorgde ervoor dat de opluchting algauw plaats ruimde voor het nodige angstzweet. Met de broek op de enkels tot het volgende hokje sluipen? Ik dacht het niet. Als een wildeman ging ik het stompje papier te lijf. Na enkele minuten die wel een uur leken te duren, kwam het besef: het kleine stompje lag aan flarden op de grond: vaarwel laatste strohalm. Als laatste wanhoopsdaad nog even alle zakken controleren alvorens mijn zakdoek op te offeren. Wonder boven wonder duikelde ik nog een papieren servet op in mijn jaszak, een exemplaar waarop het vriendinnetje een kunstwerk had neergepend tijdens een niet erg geanimeerde brunch.
Had ik me daar even godverdomse chance, want shit zeg, op een hemels mirakel moeten we dezer dagen ook al niet meer rekenen, vergeef mij het gebezigde vocabularium. Gelukkig is er dan het vriendinnetje dat mij van kunstige mirakels voorziet. En dan weet je het wel, zij is de ware.
PS: Bij het aanhoren van de term arty farty baant mijn maaginhoud zich stante pede een weg naar buiten, ook dat even ter zijde. Maar in deze context krijgt hij een heel nieuwe dimensie waardoor er wel een grijns afkan. En dan nu over tot de aankoop van toiletpapier, want het is bijna carnaval.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten