Dagelijks neem ik de trein, en telkenmale probeer ik mezelf ervan te overtuigen dat het zo slecht nog niet gesteld is met de de kop van jut bij uitstek: onze teerbeminde NMBS. Laten we stoppen met dat collectief gemelk, op een ander is het echt niet beter. Privatiseer de hele mikmak, en we betalen ons blauw. Ik geef toe, die 'vijf-minuten-vertraging' voor de elfendertigste keer wekt terecht de nodige agressie op, wetende dat 'vijf minuten' in NMBS-termen steevast een eufemisme is voor minimum het zesvoudige en in het 'beste' geval een afgeschafte trein. Laat ik die ironische woorden terugnemen, ik ben heus geen melker. Ik geniet van het leven, zelden bulderlachend, des te meer grijzend. Grijzend, om die sporende mierenneukers die het als een straf ervaren om vijf minuten langer op hun werk te moeten blijven, waardoor een semi-erectie hun deel is als de term prepensioen valt. Zo ook grijzend om de – helaas- hedendaagse stereotiepe conducteur. De getormenteerde kaartjesknipper die zich vol zelfbeklag van wagon tot wagon sleept, ieder kaartje dat geknipt dient te worden beschouwend als een statie tijdens de kruisweg. Zuchtend en zwalpend: “Vergeef zowel de enthousiaste jeugdelingen als de alreeds dementerende NMBS-leken vader, ze weten immers niet wat ze doen.”
Correct, de vergrijzende kolder op het perron ervaart de tsjoektsjoek niet zelden als een futuristische shuttle, het razende stalen monster dat hen hopelijk zal uitbraken op het strand van Oostende. Maar ook de ADHD-gevoelige kweekvijvers van acne en geisers van ontluikend testosteron en oestrogeen doen mij als opportunistische atheïst geregeld de ogen ten hemel slaan met “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” als mantra prevelend. De jeugdige exaltatie is de zogenoemde verboden vrucht waar we nochtans en masse gretig de tanden ingezet hebben, en een vals stel bijters op het nachtkastje ligt voor ons allen in het verschiet. Enige clementie is hier dus wel aangewezen.
Een droomjob is het mijns inziens allerminst, de combinatie van zowel professioneel gaatjesmaker als “Goeiemorgen, vervoersbewijs alstublieft, dankuwel!”-declamator. Maar bewuste carrièremove of noodzakelijke financiële pleister, doe het als het u even belieft met de nodige joie de vivre. Een dag niet gelachen - een gereserveerde grinnik vergezeld van een binnenpretje will do the job - is een dag niet geleefd. De corbillard denderend over de bielzen, terwijl de vriendelijkheid en de arbeidsvreugde ten grave gedragen worden in, waarom niet, Oostende. De tussenstops van de lijkstoet worden obligaat vol zelfbeklag aangekondigd via de intercom. Tristesse druipt uit de luidsprekers over de kruinen van de reizigers als ware het een ranzig ei tijdens de studentendoop.
Maar ik ben toch geen melker, het is heus niet al kommer en kwel! Nu en dan eens een opgewekte conducteur die de zwaarte van het bestaan weet op te fleuren, onze weg naar het brood op de plank verlicht met een leutig farçeke of een gedichtje via het omroepsysteem. Nu, wees eerlijk, maandagen vallen nog te pruimen, maar op vrijdag slepen we ons allen van punt a naar punt b, hetzij een arbeids- hetzij een studieplaats. Doet me denken aan de wijsheid van papalief: “Het leven is een strijd, en wie lang genoeg strijdt, die wordt een oudstrijder”. Een volkse platitude wat betreft logica, maar ze herbergt wel enige kern van waarheid. Oudstrijders echter dragen medailles voor eer, moed en opoffering. Geen gouden handdruk in die tijd, wel slechts eeuwig prepensioen door een al dan niet verdwaalde kogel. Ideetje voor nu? Neen toch, ik ben heus geen melker.