woensdag 19 oktober 2011

De hoe-meer-haat-hoe-liever-straat

 Woonachtig onder de kerktoren, maar verdraagzaamheid behoort niet tot de tien geboden van bepaalde stukken chagrijn in deze buurt. De tweeloop wordt bovengehaald voor 't occasionele zwerfkatje dat zo hoognodig moet. Op 't gazon, akkoord, maar het beestje zal heus geen kilo's produceren. Of we kloppen naarstig  paaltjes in de pelouse, want bij het keren van de auto rijden die smeerlappen de graszoden naar de verdommenis. Heb je groene tapijtje meer lief dan je naaste buur. Ja, die leuze staat hier wel in steen gebeiteld. Naastenliefde is nochtans een toppunt op de agenda van de Kerk. Denk ik toch, want mijn laatste eucharistieviering vertoeft al even in de annalen. Een overdosis christendom door een misdienaarcarrière te Sint-Joris van dik tien jaar is immers mijn deel. Als er al een hemel bestaat, wat ik ten zeerste betwijfel, dan heb ik hem ruimschoots verdiend. Door mijn wekelijkse trouw aan de parochiehoeder geloof ik zelfs dat er wat extra krediet achter mijn naam staat in het dikke boek van de Almachtige. Daardoor zal ik, na het op een akkoordje gegooid te hebben met Sinte Pieter, nog iemand mogen meetronen richting eeuwige jachtvelden en dagelijkse porties rijstpap. Die metgezel mag dan gerust mijn engelenbrij verorberen, want ik vind het niet te vreten. Dat komt misschien ook wel door vaderlief, die me als ukje voor het dilemma 'hemel of hel' plaatste met de volgende bijkomende informatie: “In de hemel eten ze iedere dag rijstpap maar in de hel eten ze kebab, pizza, frieten, noem maar op. Wat denkt ge mijn zoon?” “Wel vader, u had me al bij kebab, de rest is bonus. Hou me er een plaatsje vrij bij aankomst.” Zo bracht hij me op religieus vlak ook het volgende – voor alle duidelijkheid: dit is een allesbehalve racistische doch speelse platitude om een jammerende peuter tijdens lange autoritten zoet te houden - bij wat betreft de sikhs, gekend om hun gekleurde tulbanden als teken van geloof. “Kijk daar, jongen, een gele, die smaakt naar?” “Citroen, papa.” Religie en snoepgoed: dankzij de hostie één pot nat voor een kleine knaap.

Toch verplicht ik mezelf ondanks mijn alreeds veroverde plaatsje in het hiernamaals steevast tot een goeie daad van de maand, kwestie van op zeker te spelen. Zo zag ik tijdens een fietstocht een ukkie moederziel alleen aan een voordeur staan dralen. Waarom was hij verbannen? Stond hij op straf omdat hij bij wijze van protest de inhoud van zijn pamper aan de muren had toevertrouwd? Geen idee, maar vriendelijk als ie was stak hij zijn vingertje uiterst stoer in de lucht bij wijze van groet, zoals hij het zijn potige papa waarschijnlijk al zo vaak had zien doen. Ik onderbrak mijn pathetische poging tot sport en groette hem hijgend doch oprecht terug. Daarop sierde een glimlach zijn lipjes die mijn façade besmette met de geluksbacterie. Heel even zorgde dat blondgekrulde engeltje voor de echte hemel op aarde, waarop ik vervuld van blijheid koers zette richting stal in de hoe-meer-haat-hoe-liever-straat. Hallelujah!

woensdag 5 oktober 2011

Maandagmonoloog

De apocalyps is ingezet, en wel dankzij de doodsreutel van mijn Senseo. Geen koffie op dit ontiegelijk vroege uur? Moordlustig steek ik van wal: “Dood, dagelijks wil ik mensen morsdood. Liefst een gruwelijke en langdurige variant. Ik ben heus niet de enige met zulke sadistische neigingen, geloof me vrij. Het is enkel een kwestie van het beest te temmen en het zogenoemde gezond verstand te laten zegevieren. Wie het daar niet mee eens is, verdient de kogel voor huichelarij zonder weerga. Nu, ik heb ook mijn goeie dagen, dan wens ik ze een gematigde 'loop naar de maan' toe. Enkele reis welteverstaan, want een retour helpt ons geen reet verder bij het ontwijken van dergelijke klootzakken. Waarom, vraagt de muze zich af. Maar ik wil niet dat ze er haar mooie hoofdje over breekt. Ik reken wel in m'n eentje af met die sujetten, wiens knieschijven ik maar al te graag te lijf zou willen gaan met een honkbalknuppel. Op een goeie dag komen ze er vanaf met een eveneens imaginaire doch welgemikte trap in de lever en nieren vergezeld van een verbouwde voorgevel. Liefst begeleid door een deuntje van Metallica eind jaren '80, dat timmert lekker weg. Maar helaas kan ik geen passend antwoord bedenken op haar vraag. De wantrouwige aard van het beestje. Het cynische muurtje dat me moet beschermen tegen overdreven optimisme, naïviteit en weerzinwekkend enthousiasme. Maar waarom net die mensen, dringt ze aan. Wederom goeie vraag, maar redelijkheid hoort niet thuis in mijn nihilistische wereldje. Zijn het slechte mensen? Verre van, maar ze doen mij simultaan huiveren en braken. Omdat ze het te graag willen, omdat ze te goedgelovig zijn. Zij die denken het verschil te kunnen uitmaken. Omdat ze zijn tout court: dat stuit me nog het meeste tegen de borst. Hij of zij die voldoet aan deze en nog meer van de pot gerukte voorwaarden, beschouw ik als niet te verdragen en bijgevolg niet waard een nietig bestaan op te eisen op deze aardkloot. Vriendschap is enkel voorbestemd voor gelijken van geest. Liefde voor de juffer die mijn schuimbekkend atheïsme omtrent verheerlijkte en verafgoodde ego's weet in te perken binnen de maatschappelijk aanvaardbare normen. Maar al de rest, al die andere pathetische triestige narcisten - want dat zijn het - mogen voor mijn part letterlijk doodvallen. In mijn hoofd liggen ze al lang onder de zoden.” Mijn maandagse mijmermonoloog aldus, en hij typeert het tekort aan slaap en koffie met als gevolg een klein ochtendhumeurtje gesitueerd op het Alkense perron. Geen vrees echter: niets wat cafeïne niet kan verhelpen. Weldra huppel ik dankzij het zwarte goud frivool het weekend tegemoet, op een wolkje van melk doch zonder suiker. Zelfs dan nog zeggen mensen me vaak dat ik kwaad kijk. Waar ze het vandaag halen, het blijft me een raadsel.